overweg in’t veen

Ik zal jullie een waargebeurd verhaal vertellen. Het speelt zich af ter hoogte van de huidige recreatieplas De Oldemeijer! Voordat de bossen in Hardenberg in 1938 zijn aangeplant, bevond zich tussen Rheeze en het Rheezerveen een uitgestrekte heideveld dat overging in het verraderlijke veen. In het brinkdorp Rheeze, vlakbij de Vecht woonde een oud keuterboertje Meijer. En over hem gaat dit verhaal. De Olde Meijer uit Rheeze bracht ieder jaar een bezoek aan zijn broer Herman die diep in het veen woonde.

Gewapend met gaostok die gevormd was door de wurgende greep van de kamperfoelie, liep de Olde Meijer door het uitgestrekte Rheezerveld op weg naar Rheezerveen. Hij voelt nog even in zijn karbies. Ja een kruik zelfgestookte jenever is een passend cadeau voor mijn broer, dacht hij bij zichzelf.

Hij moest alleen niet zover weg wonen! En zeker niet in Rheezerveen, mompelde hij in zichzelf. Als hij nou gewoon in Rheeze ging wonen of desnoods in Heemse dan kon je tenminste nog met paard en wagen op bezoek komen. Nee onze Herman moet zo nodig naar het veen, daar aan de andere kant van het Rheezerveld. Elke keer moet ik weer door dat verraderlijke gebied.

De Olde Meijer moest ineens denken aan die marskramer, die vorig jaar plotseling verdween. Die marskramer dacht slim te zijn om vanaf de Hessenweg naar Rheezerveen te gaan. Niemand heeft ooit hem of zijn kar teruggezien. Het veen is en blijft verraderlijk. Allerlei gedachten gingen door zijn hoofd.

Opeens verstijfde de Olde Meijer! Met zijn ene klomp nog in de lucht, keek hij naar de zonnende adder die onder zijn voet op het pad lag. De adder lag opgerold als een hondendrol op het witte zand tussen de stuikheide op het smalle pad. Gek, dacht de Olde Meijer bij zichzelf, hoe vaak heb ik al een adder gezien, maar ik schrik er nog altijd van.

Even dacht hij terug aan het avontuur, wat zijn broer Herman was overkomen. Die ging met zijn klomp bovenop een adder staan! Maar mooi dat hij in de enkel werd gebeten. Dat heeft hem bijna zijn leven gekost. In heel Hardenberg was namelijk geen tegengif te vinden. Va moest toen met paard en wagen naar Den Ham om het serum op te halen. Gelukkig is dat goed afgelopen, anders had Herman de 65 niet gehaald. Met zijn gaostok tikte hij tegen de adder die, alsof afgeschoten tussen de struikheide en het pijpestrootje weggliste.

De Olde Meijer vervolgde zijn pad. Langzaam veranderde de beplanting om hem heen. De Wacholders in de struikheide en het pijpestrootje maakten plaats voor dopheide en veenpluis. Het veld ken ik als mijn broekzak, maar het veen!

Potverdorie zit ik nu wel of niet op het goede pad. Prikkend in de grond met zijn gaostok overtuigde de Olde Meijer zich. Ja dit paadje moet ik hebben. In het veld kun je overal lopen. Maar hier in het veen, zijn er maar enkele smalle doorgangen en sommige eindigen nog eens midden in het veen. Het juiste pad, is het pad met een laagje zand vlak onder het veen. Op dit smalle kronkelpad tussen de dopheide en het veenpluis daar moest hij opblijven. Deze grond kon hem dragen. Zand op veen en veen op zand een verraderlijke combinatie.

Boven hem dwarrelt een veldleeuwerik als een parachute vrolijk zingend naar beneden. Een geluid dat bijna hypnotiserend werkte. In de verte zag hij de rookpluimen omhoog krullen. Daar lag Rheezerveen, nog een kwartier lopen en dan ben ik er, dacht de Olde Meijer bij zichzelf.

Kijk hem daar toch eens staan voor zijn plaggenhut, onze jarige job. Van harte gefeliciteerd met je 65e verjaardag, broer. Kijk ik heb iets voor je meegebracht een kruik zelf gestookte jenever.

Na de koffie, die al klaar stond op het vuur, begon al gauw het drinkgelag, dat tot laat in de middag door ging. Hips, het is weer als vanouds broer maar ik moet er nu echt vandoor. Ik wil graag bij licht door het veen terug. Ik zou niet graag, net als die marskramer, door het veen opgevreten willen worden.

Je kunt niet eerder weg gaan voordat je ook mijn jenever hebt geproefd, lalde broer Herman. Jolig werd een nieuwe kruik opengemaakt. Fantastich gebrou- gebr-, gerouwen broer, maar het is nu al donker ik moet nu echt gaan. Ik moet morgen weer vroeg op, koeien melken. Je kunt beter nu niet gaan, zei broer Herman. Het is niet veilig om in het donker door het veen te lopen. Het veen kan je niet overal dragen, waarschuwde Herman. Ik weet het broer. Daarom heb ik altijd mijn goastok bij me. Ik prik hier en daar in de grond om het pad te vinden.

Te laat vertrokken en teveel onder invloed gaat de Olde Meijer op pad. Door het veen en het veld op weg naar Rheeze. Hij was nog geen vijf minuten onderweg en hij had al natte voeten. Potverdrie zit mijn klomp in het veen. Tastend in het duister vond hij zijn klomp terug. Met een plop liet het veen de klomp weer los. Ik moet toch voorzichtiger zijn dacht hij bij zichzelf. Als de drank is in de man, is het verstand in de kan. Maar niet bij mij. Ik laat me niet verrassen. Voor iedere stap prikte hij zijn gaostok in de grond om te voelen of het veen hem hier nog dragen kon. Als hij voldoende druk voelde in de stok durfde hij de volgende stap te zetten. De tocht door het veen verliep tergend langzaam.

Het veen werd opgeslokt door het grote duister. Zelfs de maan liet zich niet zien. Was ik maar eerder vertrokken en had ik maar niet zoveel gezopen, dacht hij bij zichzelf. Berouw komt altijd na de zonde. Hoewel de Olde Meijer niet bang was uitgevallen, bekroop hem toch wel een angstig gevoel. Iets te donker vandaag! Je ziet geen hand voor de ogen. Nooit was het zo snel donker als vandaag. Prikkend en tastend met zijn gaostok strompelde hij verder. Ziende blind ben ik, dacht hij. De gaostok is mijn oog! Prikkend en klomp voor klomp steeds dieper het veen in. Ik hoop toch echt dat ik het juiste pad heb gekozen!

Opeens kwam hij te struikelen. Krakend en strompelend kwam hij overeind. Heb ik weer, verrekte struikelheide, dacht hij toen hij zichzelf weer vermand had. Met zijn gaostok taste hij om zich heen. Maar waar hij ook prikte nergens voelde hij grond! Niet voor hem, niet naast hem, niet achter hem, Nergens! Geen hand voor de ogen te zien. Nergens vaste grond! Waar moet ik heen, hier in dit verdomde veen! Nu werd de Olde Meijer toch bang. Zou hij dan toch het verkeerde pad hebben gekozen. Door zijn val wist hij niet meer van welke kant hij was gekomen. Gedesoriënteerd bleef hij staan waar hij stond.

Niet in paniek raken dacht hij, kalm blijven. Er zit niets anders op dan te wachten tot het licht wordt. Als het licht is zal ik wel zien op welk eiland ik ben beland. Heel voorzichtig gaat hij zitten. Hij durft zich bijna niet te verroeren. Het veen draagt nog steeds. Uitgeput, angstig en beschonken valt hij op de plek in slaap.

Bij de eerste straal zonlicht dat in zijn ogen valt, schrikt hij wakker. Hij gaat staan en grijpt zijn gaostok. Stom verbaasd blijft hij staan kijken! Wat denk je dat hij zag?

Een gebroken gaostok!